Google
www www.gerbrandsdingetje.nl

Weblog van Gerbrand Bakker

Prottelend voorwaarts
Gistermiddag las ik de waterkaart. De bestuurder van het Noorse sloepje zei dat heel weinig mensen een waterkaart kunnen lezen. Het rare tijdens de tocht was dat we de hele tijd met de wolken meevoeren: overal in de verte was zon te zien, behalve rondom onze boot. Langweerder Wielen, Koevorder meer, Prinses Margriet Kanaal, via het Stobberak en de Jurjensloot naar de Langstaartenpoel. Jentsjemeer (waarin een machtig mooi eilandje waarop strak gras, bomen en een Zweeds aandoend vakantiehuisje), Fammenbrekken en via de Brekken terug naar de Langweerder Wielen. Geen enkele keer verkeerd gevaren. Het was rustig, de vakantie is voorbij. We kregen nogal honger en dorst, hadden niet zoals anders wijn en kaas meegenomen en de toch duurde langer dan we gepland hadden. Het fijne aan water en lucht en een prottelende motor, en regelmatig je hand opsteken naar andere vriendelijke bootmensen, is dat alles van je afvalt. Even geen zenuwen over het nieuwe boek, geen gepieker over wat negen mensen te eten voor te zetten, geen onrust om de drie nieuwe grijze vissen te midden van een twintigtal oranje exemplaren die de vijver al kennen en denken te kunnen koeioneren. Gewoon varen, met een gangetje van zo’n vijftien km. per uur, en je verbazen over de onoverzichtelijkheid van water met rietkragen erlangs. Bootjes met vissers altijd pal bij of half onder een brug, waarom dat is begrijp ik ook niet. Onderweg zeemde ik de voorruit nog even, die was wat vuil. ‘Zo kun je vast wennen aan al dat water, met verder niks,’ zei de bestuurder, verwijzend naar de VPRO-boot in het Lauwersmeer. Ik neem een hengel mee.

Opknappen, maakt niet uit wat
Op de begraafplaats in Huisduinen was een schimmige figuur bezig bij een smalle, hoge grafsteen, met een grote paal. Ik liep er met mijn zus, nadat we een graf hadden opgeknapt en in één ruk door en illegaal een paar buurgrafjes ook hadden vrijgemaakt van oprukkend groen. De zon scheen, daar moet je deze dagen gebruik van maken, daarom liepen we nog een rondje over een van de mooiste en oudste begraafplaatsen die ik ken. Er wordt onderhoud gepleegd, zeker, maar zoals mijn zus zei: ‘Basisonderhoud’. Er staan stenen van mensen die in 1672 zijn begraven en er liggen hopen grond van verse graven. Het huisje op het Joodse deel (nooit mag een Joodse begraafplaats geruimd worden), daar zou je zó intrekken. Op sommige graven staat een populier met een stamomtrek van een meter of anderhalf. En er was die schimmige figuur met zijn dikke paal. Het zat hem blijkbaar niet lekker dat wij zo naar hem keken, want hij kwam zich verantwoorden. Hij was met een staalborstel de steen te lijf gegaan, “Graven van mijn voorouders,” zei hij, en toen viel die smalle, hoge bijna om. Dat kon niet. “Er liggen hier al zoveel dooien, die steen moet gestut.” Hij ging naar huis, een schop halen, want die gebroken steen moest dieper de grond in. Mijn zus wist hoe hij heette, maar ze was het even kwijt. Later wist mijn zwager het. Johanna. Doet ook in explosieven, heeft zich om laten bouwen tot vrouw en draagt sindsdien uitsluitend legerbroeken en zware schoenen. Op de weg naar de uitgang kwamen we langs de plek waar hij bezig was geweest. Op de steen viel niets te lezen, Johanna had de staalborstel blijkbaar al vaker ingezet. We geloofden het voorouder-verhaal niet, maar wat konden wij ertegenin brengen na het ongevraagd kuisen van vreemde graven? Onderweg naar het huis van mijn zus zag ik in een weitje een grote knol staan, en herinnerde ik me dat ik er zo een ging kopen. De zon scheen nog steeds.

Shownieuws
Bij binnenkomst stuitte ik op tweevoudig genomineerd debutant Klein Nulent. P.F. Thomése hing bij de deur rond, achterin stond een voormalig Leids groepje, met Blondeau, Weijts en Van Veelen. Bij de etalageruit nog veel meer Contact-mensen, die hadden een zomerborrel gehad. Sander Blom stond er nog steeds allerlei drankjes te betalen. Peek, Van Mersbergen en Lubach hingen aan de bar, Boer en Perizonius hingen daar weer omheen. Waumans (die een blond meisje dat tegenover hem zat als ongelofelijk veelbelovend debutante aanprees om zijn eigen zenuwen inzake het debuteren te verdoezelen) kreeg een half glas wodka-spa rood over zich heen van Sanchez van Dijck, die erg opgewonden was, terwijl Van der Veen juist erg rustig was. Dop was er ook, ze hield niet op over Perenbomen, tot ik zei: “Nu weten we het wel!” En nee maar, daar kwam zelfs Bahara nog even binnenwippen. Blijkbaar gingen er bij mij veel minder Jupilers in dan normaal, want toen ik vanmorgen opstond, voelde ik me nauwelijks anders dan anders. Dat betekent waarschijnlijk dat ik heel veel gepraat heb, want als je praat kun je niet drinken en slikken. Waarover ik gepraat heb, dat is me dan weer wel ontschoten, wat geloof ik niet zo erg is, want het is toch allemaal maar bargebabbel.
Nu onweer en grijze luchten, terwijl ons, zo meen ik me herinneren, zonnige perioden beloofd waren. Ik was gisteravond zeker niet vroeg in De ***, ben na jaren van afkeer weer nogal verslaafd geraakt aan Popstars, ik vind Simone Walraven een heel mooie vrouw geworden. Zaterdag. Morgen zondag: dan ga ik in de Tolhuistuin hoofdstuk 11 uit Boven voorlezen, op verzoek, terwijl elders in de stad De Uitmarkt aan het verregenen is.

Duitsland
Vanavond de eerste Duitse lezing met Juni in de hand. Niet ver, Düsseldorf, dat is minder ver dan Maastricht, waaraan je maar weer eens kan zien dat Limburg wel bij Wallonië mag als Holland bij Vlaanderen gevoegd wordt, over een jaar of tien. Ik heb er wel zin in. Gisteren drie uur hard geübt met Andrea Kluitmann, uitsluitend Duits gepraat en een paar keer twee stukken gelezen die ik vanavond ook wil gaan lezen. Vooral heb ik er zin in omdat Juni in Duitsland ik mag wel zeggen jubelend ontvangen is, met grote stukken in Die Zeit en de Frankfurter en de Süddeutsche. Mijn Duitse broertje berichtte dat hij Oben ist es still altijd moest bestellen, maar dat Juni in grote stapels bij de Thalia-buchladen ligt (of lag, dat moet ik even navragen). Vrijwel ongemerkt is inmiddels – ik meen een maand na Juni – ook Birnbäume blühen weiß verschenen, als héél klein boekje, voor zeven euro. Dat boek is trouwens door Andrea vertaald. Hierna volgen meer lezingen in Duitsland en Zwitserland, altijd met die snelle, witte treinen, waarin een restauratiewagon, waar ze Grau- en Weissburgunder hebben in handige tweeglasflesjes. Als het even kan kien ik het zo uit dat ik rond het middageten in zo’n trein zit. Zelden ben ik gelukkiger, als ik drink en eet en buiten Duitsland langs het raam glijdt, bossen, velden, heuvels, paardjes, oude stations. Op zulke momenten besef ik wat een fijn leven ik heb, zonder kantoor, zonder baas, zonder vaste werktijden, zonder elke dag collega’s, los van allerlei verplichtingen. Los, dat is een goede omschrijving, zeker onderweg in een trein, weg van waar ik kwam, nog niet aangekomen. Vrij.

Toch met vakantie
In de Bed & Breakfast aan Churchstreet in Caernarfon zat twee ochtenden een echtpaar dat samen minstens 180 jaar oud was. Als ze binnenkwamen was er nog niet zoveel aan de hand. De vrouw draaide zich naar het raam en vroeg of het regende, de man riep “It’s here!” en wees op het tafeltje. “I know,” zei de vrouw vinnig. Daarna pas zeiden ze goedemorgen, de vrouw stond erop dat ze alleen cornflakes kreeg, de man wilde eieren en bacon, de tweede ochtend ook een tomaat. Thee dronken ze. Daarna ging het mis. De man – zijn bril was half zo groot als zijn hoofd – zei: “Sie muss achtzig sein.” Ik keek de vrouw op het achterhoofd, er kwam geen reactie. “Sie ist die Tochter!” De vrouw schudde licht met haar hoofd. “I can’t hear you,” zei ze na een tijdje. Ze zei niet: “I don’t understand you.” Er werd toast gebracht, het echtpaar werd bediend door steeds dezelfde wat oudere vrouw, die ver over het tafeltje boog, leek te weten wat de oude mensen wilden, ze eigenlijk eten aanpraatte. Achter mij stond de radio op een klassieke zender, hij stoorde nogal, toch herkende ik Romeo & Julia van Tsjaikovski. De man vroeg elke ochtend verschrikt of hij de deur op slot had moeten doen, de vrouw schudde met het hoofd, lepelde cornflakes naar binnen. “Japan!” siste de man, wat op de tweede ochtend, met een Japans stel aan het tafeltje in de erker, wat pijnlijk was. De Japanners hadden de nacht ervoor in de jacuzzi in hun kamer gezeten, wat ik met stille woede in de kamer ernaast had ondergaan. “Wonderful breakfast,” zei de man daarna. “Is it raining?” vroeg de vrouw. Door het raam was te zien dat de zon op de gevels van de huizenrij aan de overkant viel. Ze aten, lang, en vulden steeds de theepot bij met heet water uit een kannetje. “What do you think is wrong with my foot?” vroeg de man. De vrouw schudde met het hoofd. Ik stond op, draaide me bij de deur om. De vrouw had wonderbaarlijk heldere, vriendelijke ogen. Ik knikte, ze knikte glimlachend terug. Misschien zaten ze de hele dag in de ontbijtruimte.

Open wegens terug
(Spoiler:) In De Omweg zit een scène waarin de hoofdpersoon een Engelse huisarts bezoekt, na een nogal vreemd ongeval. Ze krijgt, ondanks tegenstribbelen, een tetanusprik. Zelf lag ik afgelopen vrijdag ook totaal onverwacht op een behandeltafel van de general practitioner in Bishop’s Castle en er werd gedreigd met een tetanusprik. ‘Ik ben toch zeker niet gebeten door een dier?’ vroeg ik. Dat maakte niks uit, bovendien bevonden we ons in agrarisch gebied, ik kreeg een prik, en later moest ik nog veel meer prikken halen, terug in Nederland. ‘I want stitches,’ zei ik. Daarvan was geen sprake, er ging worden gelijmd en geplakt, dat was veel netter. Ik geloof niet zo in vleeslijm. Toch heeft ze het dusdanig netjes en goed gedaan (ook de prik, geen spoor van een harde arm), dat ik vandaag gewoon alweer dit kan tikken en toen ik vertrok en vroeg hoe nu verder, zei ze: ‘Everything has been taken care of’, wat wil zeggen: je hoeft niets te betalen. Die NHS is een geweldige Britse overheidsinstelling, maar om zelfs buitenlanders niet te laten dokken, dat lijkt me nogal kostbaar. Hoe dan ook, wat ik eigenlijk wil zeggen: dat je dingen opschrijft die je vervolgens zelf overkomen, in het land waarin het verhaal speelt, dat is wel koddig. En dat je twee weken door bergachtig terrein loopt en er gebeurt niks, en je doet ‘licht tuinwerk’ en je sodeflikkert van een speknatte stenen trap af, dat is misschien ook wel koddig. Gisterochtend, na een bizar feest waar lang geleden aan Oxford afgestudeerde mensen ‘stukjes’ opvoerden of aan ‘action painting’ deden, stootte ik mijn hoofd aan een balk in een Tudor-huis en toen had ik ook nog bloed op mijn kop. Hoog tijd om weer eens naar Amsterdam af te reizen. Waar mij zojuist het bericht bereikt dat de Anne Frank-boom is omgewaaid. Nou, dat voorspelde ik al op 21 november 2007.
Nb: op de afbeelding de prachtige Mount Snowdon.


Naar boven
nieuws
17-06-2010Winnaar IMPAC!
20-05-2010Shortlist Prix Cévennes


» Archief
 Uitleg »